Net voor Koninginnedag heeft de Raad Openbaar Bestuur haar rapport ' het einde van het blauwdruk denken" opgeleverd rondom bestuurlijke vernieuwing. Het rapport start met een citaat welke ik je niet wil onthouden;
“Als de politieke cultuur blijft hangen in oude vormen en gedachten terwijl de samenleving zelf snel verandert,zal de politiek steeds minder in staat zijn praktische oplossingen voor maatschappelijke problemen te leveren.De anonimiteit van de macht werd de anonimiteit van de onmacht. De kloof tussen wet en werkelijkheid wordt elk jaar breder. Zolang het goed ging met de welvaart viel dat niet zo op. Maar de crisis die kwam, lijkt niet van voorbijgaande aard.”
– Hans van Mierlo, 1985, in: rede ‘Een reden van bestaan’ –
Naast deze kloof is er ook nog een andere kloof bijgekomen. Burgers hebben nog steeds
vertrouwen in het democratisch stelsel, maar veel minder in de wijze waarop partijen en politici
daar invulling aan geven. Oorzaak van deze legitimiteitscrisis ligt, naar het oordeel van de Raad,
in ‘de andere kloof’. Mondige burgers zijn zich in horizontale netwerken gaan organiseren terwijl
het politieke bestuur georganiseerd bleef langs verticale, hiƫrarchische lijnen. Die kloof kan alleen
worden gedicht door het leggen van nieuwe verbindingen tussen de verticale politieke realiteit
en de horizontale werkelijkheid.
Het sterke aan dit rapport is naar mijn idee het gegeven dat zij niet de zoveelste blauwdruk gaan neerleggen van hoe het moet (bestuurlijke reflex) maar analyseren ze waarom, ondanks tientallen adviesrapporten, er zo weinig terecht is gekomen van die bestuurlijke vernieuwing.
Het rapport kent noemt vier knelpunten in de huidige bestuurlijke organisatie. In de eerste plaats lopen
taak en schaal niet voldoende synchroon. De taken waarvoor het decentraal bestuur en dan vooral
gemeenten worden gesteld, overschrijden de geografische grenzen van hun entiteit. Anders gezegd:
de opgaven reiken verder dan de bestuurlijke verantwoordelijkheid. In de tweede plaats vraagt de
uitvoering van veel gemeentelijke taken om redenen van effectiviteit en efficiency om een schaal en
robuustheid die veel gemeenten thans ontberen. In een poging die kwetsbaarheid te verminderen
werken alle gemeenten samen in verschillende soorten verbanden. Daarmee is een derde knelpunt
ontstaan: al de bestuurlijke constructies van deze verbanden zorgen voor een enorme bestuurlijke
drukte waarbij afstemming een doel in zichzelf is geworden en onduidelijk is wie precies waar over
gaat. Deze eenheden ontwikkelen doorgaans meer hinder- dan doorzettingsmacht. In de vierde en
laatste plaats ontberen deze hulpstructuren een ordentelijke democratische legitimatie.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten